Polenfreund
Op veel sympathie van de Duitsers hoeven de Polen niet te rekenen. Een grote meerderheid van de Duitse bevolking ziet niets in de toetreding van Polen tot de EU, zo wees een recent onderzoek uit. Vooral de inwoners van de arme grensstreek in het oosten van Duitsland vrezen hun toch al schaarse banen kwijt te raken aan de Poolse arbeidskrachten, die bekend staan om hun vakmanschap en de bereidheid voor lagere lonen harder te werken.
Vanuit Berlijn gezien ligt de Poolse grens op nog geen tachtig kilometer afstand. Maar de psychologische afstand tot de Poolse oosterburen is veel groter. Voor de meeste Berlijners is Polen 'terra incognita', en er is weinig reden aan te nemen dat in die ongeïnteresseerde houding verandering komt na de toetreding van Polen tot de Europese familie.
Hoewel een treinkaartje vanaf station Berlin Ostbahnhof naar Warschau slechts een paar tientjes kost, maken maar weinig Berlijners van deze reismogelijkheid gebruik. Verbaasd wordt dan ook in de stationsboekhandel gereageerd op de vraag naar reisinformatie over het nabijgelegen buurland. De verkoopster, die een gezicht trekt alsof ze wil zeggen 'Wat heb je daar nu te zoeken?' wijst liever op de reisgidsen over Mallorca, Reykjavik of Sydney, die wel in ruime mate voorhanden zijn.
En wie met de auto naar Polen gaat wordt voor gek verklaard, met name door Duitsers wier kennis over de Polen niet verder reikt dan de vaak gebezigde uitdrukking 'Auto gestolen, morgen in Polen'.
Voor veel Duitsers zijn de Polen een volk van autodieven, prostituees en nietsnutten. Twee jaar geleden werd de burgemeester van de Duits-Poolse grensstad Guben nog weggestemd, omdat hij zich naar de zin van de kiezers te zeer had ingezet voor de Duits-Poolse samenwerking. De inwoners van Guben noemden hem een 'Polenfreund' - en bedoelden dat als scheldwoord.
Van de Poolse kant wordt er van alles aan gedaan bij de Duitsers in de gunst te komen. Het Pools cultureel instituut in (Oost-)Berlijn, een relict uit DDR-tijden, organiseert aan de lopende band tentoonstellingen van Poolse kunstenaars om een ander beeld van het buurland te presenteren. Maar de bezoekers van het instituut zijn vooral de in Berlijn levende Polen zelf, die ongemerkt de derde groep buitenlanders in de stad vormen. De Berlijners hebben geen oog voor de 'Poolse week' of de 'Warschaudagen', die er worden gehouden.
De totale desinteresse voor de Polen is wel vergelijkbaar met de arrogantie waarmee veel West-Duitsers nog altijd de 'Ossies' tegemoet treden. De Oost-Duitsers op hun beurt wentelen hun frustratie af op de Polen. Al in de DDR vormden de Polen het centrale object in de Oost-Duitse variant van de Nederlandse Belgenmoppen.
Hun aversie tegenover de Polen weerhoudt de Duitsers er niet van regelmatig de grensrivieren Oder of Neiße over te steken, om aan de andere kant voor een habbekrats in te slaan. Voor hun veel goedkopere benzine, sigaretten, kappers en hoeren worden de Polen plotseling hoog gewaardeerd. Zolang ze maar aan 'hun' kant van de grens blijven.
Die afwijzende houding van zijn landgenoten is bondskanselier Gerhard Schröder niet ontgaan. Weliswaar werpt Schröder zich in de Europese discussie over de uitbreiding van de Europese Unie officieel op als belangenbehartiger van Polen. Maar de kanselier, die volgend jaar met behulp van de Oost-Duitse stemmen graag herkozen wil worden, heeft tegelijkertijd bedongen dat de Duitse grenzen voor een periode van zeven jaar gesloten blijven voor arbeidskrachten uit de nieuw toe te treden EU-lidstaten als Polen of Tsjechië.
Dergelijk duidelijke taal horen de Duitsers maar al te graag. Maar de - bij voorkeur zwart betaalde - Poolse (werkster) mag natuurlijk wel blijven komen. Alleen zij blijft uitgezonderd van de Duitse onverschilligheid ten opzichte van de Polen.


