SICA, Trans Artists and MEDIA Desk Netherlands have merged into the organisation for international cultural cooperation. Read more

Close

Cultuureducatie moet westerse grenzen ontstijgen

Dit artikel is gepubliceerd in SICAmag editie 36, 2007.
Kunstenaars en culturele organisaties werken in een overwegend internationale context. Onderwijs gaat echter vooral uit van nationale prioriteiten en programma’s. Hoe pakken deze verschillende oriëntaties uit als het gaat om cultuureducatie? Heeft internationalisering een meerwaarde? De visies van vertegenwoordigers van Cultuurnetwerk Nederland, Mocca, World Music and Dance Centre en het ministerie van OCW.

Het ideaal klinkt natuurlijk fantastisch: een internationale uitwisseling waarbij de “grenzeloze” ontmoeting zich niet alleen afspeelt op het niveau van de taal en de “leefcultuur” maar ook in de beleving van kunst, de aandacht voor traditie en de ontwikkeling van kennis. Een culturele verbondenheid die als vanzelf groeit en bloeit door stedenbanden, grensoverschrijdende festivals, internationale wedstrijden en enthousiaste jongerennetwerken. Scholen die naar Parijs en Londen gaan, maar ook naar Istanbul en Rabat. Die een estafette organiseren waarbij het stokje de grens over mag. Of beter nog: over móet. Je hoeft elkaar niet eens altijd fysiek te ontmoeten - al is dat natuurlijk wel het meest enerverend. Je kunt contacten ook via internet opbouwen, kunstwerken toesturen, elkaars filmpjes en muziek downloaden, ervaringen uitwisselen en beoordelingen bespreken. De burgerschapszin wordt er sterker van, wereldser, gelooft Peggy Brandon, directeur van Match Onderwijs Cultuur Amsterdam, kortweg Mocca, een Amsterdams expertisenetwerk op het terrein van cultuureducatie en de opvolger van Kunstweb. “Dat valt niet eenvoudig te bewijzen, maar ik twijfel er niet aan dat internationale cultuureducatie eraan bijdraagt dat leerlingen kunnen opgroeien tot kosmopolitische burgers die durven denken en kijken in mondiaal perspectief.”


Brandon heeft een ideaal dat voortbouwt op de toegenomen rol van internationale cultuureducatie in het Amsterdamse onderwijs. Mocca vindt dat internationale projecten nodig zijn om ervoor te zorgen dat scholieren zich bewust worden van het feit dat cultuur in Nederland onlosmakelijk is verbonden met buitenlandse culturen en dat er sprake is van verregaande wederzijdse beïnvloeding. Mocca hanteert een tweeledige definitie van internationale cultuureducatie. Het gaat om het leren over cultuur en culturen buiten Nederland én om het leren over Nederlandse cultuur door bestudering van haar samenhang met of onderscheid van andere culturen. En leren dan liefst in actieve vorm: beleving op basis van wederkerigheid. Een prachtig ideaal, jazeker. “Tijd is de grootste barrière, veel meer dan de neiging om cultuureducatie bij voorkeur in nationaal perspectief te ontwikkelen. De coördinatie van een uitwisselingsproject kan in urenbelasting uit de hand lopen. Denk aan een gedegen voorbereiding, het onderhouden van contacten, vooraf en achteraf, het regelen van onderdak en financiering, het verkrijgen van visa”, aldus Brandon. Om nog maar te zwijgen over het overwinnen van de terughoudendheid bij ouders om hun kinderen zelfstandig en collectief te laten reizen, de verstoring van het schoolritme en de verplichte gezamenlijke voorbereiding van leerlingen uit verschillende klassen. “Daarnaast kampt Amsterdam nog met een imago van de stad waar alles mag en alles kan. Ouders in het buitenland laten hun kinderen niet zo snel los in een stad waar in hun ogen de verboden verlokkingen voor het oprapen liggen. Er zou een uitzendbureau moeten komen, waarin scholen voor dit soort buitenschoolse activiteiten arbeidskrachten kunnen inhuren. Daar moeten ze dan wel extra geld voor krijgen. Er zijn wel initiatieven in Amsterdam, zoals studiereizen, religieuze ontmoetingen, Europese kunstfestivals, stedenbanden en ontwikkelingssamenwerking. Maar dat zijn er nog veel te weinig.”


Marjo van Hoorn, senior medewerker van Cultuurnetwerk Nederland op het gebied van internationaal beleid, is niet zo somber als Brandon over wat er op dit moment gebeurt aan internationale cultuureducatie. “Er worden stedenreizen georganiseerd naar Praag en Istanbul, er vinden dankzij CKV ontmoetingen plaats met niet-westerse culturen, er worden internationale wedstrijden via internet georganiseerd. Maar je moet het onderwijs niet overvragen. Je kunt niet alle cultuuroverdracht via het onderwijs proberen af te dwingen. Wees realistisch in wat kan en niet kan.” Van Hoorn stond met directeur Piet Hagenaars aan de wieg van een internationaal netwerk van ambtenaren uit Europese landen dat zich bezighoudt met cultuureducatie. Volgens Hagenaars was zo’n netwerk hard nodig omdat er nogal wat begripsverwarring is als er op beleidsniveau over internationale cultuureducatie wordt gesproken. “Kunsterziehung in Duitsland betreft vooral de beeldende vakken, cultural education in Engeland past bij ons idee van arts & heritage education. En als je op Europees niveau beleid wil maken en onderzoek wil doen moet je zorgen dat je dezelfde taal spreekt.” Namens Nederland zit onder meer Jan Jaap Knol in dit netwerk, projectleider Cultuur en School bij het ministerie OCW. “Een agenda met gemeenschappelijke doelen heeft dit netwerk nog niet. Maar de ideeën over begripsbepaling, een leven lang leren en de interculturele dialoog komen onderling wel steeds meer overeen.” Knol verwacht veel van 2009, het Europese Jaar van de Creativiteit en Innovatie. “Daarin krijgt cultuureducatie een prominente plek en worden perspectieven geschetst tot het jaar 2015.” In 2009 wordt ook een onderzoek gepresenteerd met de resultaten uit de onderwijsvergelijkingen op het gebied van cultuureducatie via het zogenaamde Eurydice Network. Dit verzamelt op Europees niveau gegevens over de wijze waarop lidstaten invulling geven aan cultuureducatie in het voortgezet onderwijs. “Als er straks meer gegevens beschikbaar zijn kunnen ook de effecten van cultuureducatie beter worden gemeten, hoe complex die ook zijn samengesteld. Die effecten spelen zich af op kennisniveau en kunstbeoefening maar ook op sociaal-maatschappelijk terrein zoals gedrag, beleving, betrokkenheid en geluksgevoel. De meetbaarheid daarvan staat niet los van de invloed van bijvoorbeeld sport op het welzijn van jongeren.” Hagenaars van Cultuurnetwerk vindt meten ook belangrijk. “Voor de legitimatie bijvoorbeeld van investeringen. Verandert er inderdaad iets aan het gedrag van mensen als ze met cultuureducatie in aanraking komen? Iedereen gaat daar nu op voorhand van uit. Maar om dit te onderzoeken moet een instrumentarium worden ontwikkeld.” Daarnaast is er natuurlijk de kunstintrinsieke waarde van internationale cultuureducatie. Brandon: “Ik heb de indruk dat minister Plasterk zich weer sterk maakt dat de kunsten zelf niet alleen middel maar ook doel mogen zijn.”


Het World Music and Dance Centre (WMDC) in Rotterdam is een initiatief van Codarts, Hogeschool voor de Kunsten in samenwerking met Stichting Kunstzinnige Vorming Rotterdam. Het WMDC is een podium, expertise- en opleidingscentrum en ontmoetingsplek voor muziek en dans uit alle werelddelen. Directeur Oscar van der Pluijm vindt kennisontwikkeling op het gebied van internationale cultuureducatie zeker belangrijk. “Ook wij participeren in een lectoraat aan Codarts, de Hogeschool voor de Kunsten in Rotterdam.” Maar voor internationale cultuureducatie hoef je lang niet altijd de grens over, zegt Van der Pluijm. “In Nederland zijn bijvoorbeeld allerlei muziektradities aanwezig, uit de herkomstlanden van allochtonen. Neem de vele Antilliaanse en Latijns-Amerikaanse brassbands. Die kennen echter wel hun eigen overdrachtsvorm. De traditionele muziekeducatie is te westers georiënteerd en legt zijn waarden op aan niet-westerse muziektradities.” Van der Pluijm noemt als voorbeeld de Kaapverdianen in Rotterdam, die een muziektraditie kennen die sterk internationaal opereert. “In veel Portugees sprekende landen hebben Kaapverdiaanse muzikanten goede contacten. Overdracht naar jong talent gebeurt binnen hun cultuur veel eerder via sociale chemie dan via school. Beginners repeteren het liefst met de grote jongens. Met een leentrompet ben je de held van de wijk. Maar op een reguliere muziekschool is zo’n jochie echter na twee weken vaak al weer verdwenen. De motivatie halen zij uit de groep, niet uit een leslokaaltje.” Evenzeer kan Van der Pluijm verschillen benoemen met de muziekoverdracht in bijvoorbeeld Amsterdam Zuid-Oost. “De vraag is hoe je overdracht binnen dit soort interculturele muziektradities kunt formaliseren. Daarvoor zijn nieuwe vormen van educatie nodig, die per definitie internationaal van karakter zijn, ook al gaan ze niet de grens over. Conservatoria zijn daarin nog te conservatief.” Van der Pluijm praat nu over het kunstvakonderwijs. Maar idealiter zou je het jonge talent in Nederland uit andersoortige muziektradities al moeten spotten in het voortgezet onderwijs. Vraagt dat niet - letterlijk - om een internationaler instrumentarium in bijvoorbeeld het muziekonderwijs en in centra voor de kunsten? Zou naast de piano en de gitaar niet ook eens een tabla of een sitar aangeschaft moeten worden? Inclusief het binnenhalen van een workshop door de beste sitarspeler van de regio. Marjo van Hoorn van Cultuurnetwerk Nederland vindt dat weinig realistisch. “Scholen moeten ook keuzes maken. Je kunt niet verwachten dat ze én én doen.” Van der Pluijm en Brandon van Mocca dragen het idee vanzelfsprekend een warm hart toe, gezien ook de doelstellingen van hun organisaties. Mits het met beleid en niet willekeurig gebeurt.

Hoe Europees zijn tabla en sitar? Jan Jaap Knol van OCW zet iedereen toch nog even met beide benen op de grond; “Er liggen zijn geen nieuwe geldstromen beschikbaar om dit soort initiatieven op het gebied van internationale cultuureducatie te financieren.” Wel verwijst hij naar het Europees Platform in Alkmaar dat gelden verdeelt om de Europese dimensie in het Nederlands onderwijs te versterken. Maar hoe Europees is de tabla en de sitar als je die wilt aanschaffen en hoe Europees kun je Marokko, Turkije en Tunesië noemen, als je daarmee een uitwisseling aan wilt gaan? Van der Pluijm: “Terwijl je de derde generatie allochtonen hier in Nederland daarmee wel goed zou kunnen bereiken. Die is vaak juist via muziek op zoek naar hun wortels. Het is een groeimarkt waarbinnen veel interessants en kunstzinnigs te halen valt. Internationaal georiënteerde cultuureducatie zou zijn westerse grenzen moeten ontstijgen.” Knol: “Europees gezien doet Nederland het niet slecht. Dat blijkt ook uit het onderzoek van Anne Bamford. Nederland is niet voor niets initiator van het Europese netwerk van ambtenaren. De eerste twee jaar was Nederland voorzitter. Engeland en Duitsland investeren ook flink in cultuureducatie. Ik hoop dat er in 2009 concretere gemeenschappelijke doelen geformuleerd kunnen worden dan nu vastliggen in de zogenaamde ‘roadmap for arts education’ van de Unesco. Die zijn wel erg breed en algemeen geformuleerd.” Wie weet komt het nog een keer zo ver dat jongeren uit allerlei landen net zo gemakkelijk de Man van Vetruvius van Leonardo da Vinci zullen herkennen als de letter M van McDonalds langs de snelweg. En dat ze even zo goed dromen van een Idols voor popbandjes als een X-factor voor brassmuzikanten.